En de oorsprong van geld en onze geldobsessie
Inhoud:
Het spel Monopoly is één van de meest succesvolle spellen uit de geschiedenis en kent vele liefhebbers én haters. Vooral ook omdat het een simulatiespel is: een vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid. Een model ervan, waarin tóch de essentie ervan is gevangen. Tenminste… van de maatschappelijke kant ervan, niet van de gemeenschappelijke.
Wat echter maar weinigen weten, is wat de oorsprong van Monopoly is. Het was ooit al bedacht als een simulatie, maar met een totaal ander doel. De bedenkers ervan waren aanhangers van Henry George en zijn ‘Georgism’. Zij waren tegenstanders van het hele systeem van ‘landhandel’ en het vergroten van vermogen door land te kopen, verkopen en de waarde ervan te verhogen door ánderen erop en ervoor te laten werken.
Zij hadden ‘The Landlord’s Game’1 (het spel van de landheer) bedacht om te tonen hoe dit ‘spel’ telkens weer leidt tot een Monopolie van één speler die álles in het bezit heeft, waarbij de andere spelers niets meer bezitten en in feite vóór de monopolist spelen. Dat is ook het moment dat het spel is afgelopen. Als alle andere spelers hebben verloren en er dus één ‘winnaar’ overblijft. Het is geen race naar de top, maar een race naar de bodem.
Of zoals in de spelregels van Monopoly2 staat:
DOEL VAN HET SPEL:
Overblijven als enige speler die niet failliet is.
Wat ook maar weinigen weten, is dat The Landlord’s Game oorspronkelijk twee scenario’s kende. Het spel had regels voor twee verschillende spellen, anti-monopolist (later “Prosperity” genoemd) en monopolist. De anti-monopolistische regels belonen alle spelers tijdens het creëren van rijkdom, terwijl de monopolistische regels het vormen van monopolies stimuleren en tegenstanders uit het spel dwingen. In de anti-monopolist of single-tax versie wordt het spel gewonnen wanneer de speler met het minste geld zijn oorspronkelijke inzet verdubbelt.
Wat nu de grote ‘grap’ is, is dat het ontstaan en de vermarkting van dit spel precies hetzelfde proces hebben doorlopen als datgene waar het spel een punt van probeert te maken. Want wat is er uiteindelijk gebeurd? De Parker Brothers hebben het patent van het spel overgekocht en hebben het prosperity-scenario eruit gehaald! Waarmee het spel nog maar één scenario kende en dus ook nog maar één set van spelregels.
De overname van Systeem A door Systeem 1
Dit is exact hetzelfde als wat er is gebeurd in onze ‘maatschappij’ en ‘gemeenschap’. Dat zijn twee verschillende termen met verschillende betekenissen, die onterecht vaak op één hoop worden gegooid. Laten we het gemeenschappelijke Systeem A en het maatschappelijke Systeem 1 eens naast elkaar zetten en hoe Systeem 1 het overneemt.
Fase A: Systeem A – Gemeenschap
Vanuit de menselijke natuurtoestand vormen wij ‘als vanzelf’ horizontale gemeenschappen met elkaar, waarin we dingen met elkaar gemeen hebben en met elkaar dingen om ons ding te kunnen doen. Deze gemeenschapsstructuur is in basis ‘matrifocaal’ (vanuit de moeder bezien), waarbij de kern (wat we gemeen hebben) de kern vormt. Het is een samenwerking van vele kernen, veelvormig (pluriform), zonder harde buitengrenzen.
De mannen hebben hierin geen ondergeschikte rol (het is niet matriarchaal), maar zijn meestal meer bezig in de ‘buitenwereld’, terwijl de vrouwen de binnenwereld verzorgen. Dit is vanzelfsprekend een zwart-wit weergave van iets dat heel veel grijstinten kent, maar in de kern ervan is dit wat er ‘van nature vanzelf’ gebeurt. De vruchten van de gemeenschappelijke arbeid worden eerlijk (niet gelijk) verdeeld.
In basis kunnen gemeenschappen zichzelf prima organiseren én samenwerken, zonder dat er een hogere macht nodig is om dit in goede banen te leiden.
Fase B: Systeem 1 – Maatschap(pij) & Geld
Bovenop dit systeem kan echter ook nog een patriarchaal (‘door de heer beheerst’) systeem worden gebouwd, waarbij de mannen (ja, het zijn toch altijd mannen) zich losmaken van het matrifocale systeem om hun eigen ‘maatschap’ of ‘handelsmaatschappij’ op te richten, meestal om handel mogelijk te maken tússen gemeenschappen. Meestal is dan ook pas een ruilmiddel nodig, zoals geld.
Maar wat we zijn vergeten is dat ruilhandel niet de oorsprong van geld is! Het woord ‘geld’ komt oorspronkelijk van ‘vergelding’ (net als ‘vergoeding’, in het Duits ‘Wergeld’) en was een beschaafder alternatief voor de ‘bloodfeud’ of eerwraak, omdat men ook doorhad dat het principe van ‘eye for an eye’ niet écht handig was om een gemeenschap op te kunnen bouwen. In plaats van fysiek geweld, werd eigendom gebruikt om de schade te vergelden of vergoeden, eerst met goederen (in nature) en later met geld (in pecunia).
Het feodale leenstelsel (van feodum, ‘leen’ of ‘leengoed’, maar ook een Frankisch woord voor ‘vee’!) is dan ook vooral een gevolg van een hele reeks aan onderlinge vergeldingen, waarbij sommigen hun vrijheden verloren en anderen voorrechten wonnen. Dit gebeurde zelfs tijdens dobbelspellen, zoals Tacitus beschreef in zijn Germania. Het Latijnse woord voor ‘geld’ is pecunia, wat komt van het Latijnse pecus, dat ook ‘vee’ of ‘kudde’ betekent. Net zoals ‘Feodum’ wat oorspronkelijk dus ‘vergelding met vee’ betekent. Het is wat je ‘verschuldigd’ bent, wat de basis vormt van de ‘schuld’.
De lokale rechtbank (het Ding!) sprak daarom een vonnis uit. En dit vonnis was het oorspronkelijke waardepapier, waarmee gehandeld kon worden. De eerste ruilhandel gebeurde daarom op basis van ‘ruillijsten’, waarop stond welke straf hoeveel compensatie (vergelding) vroeg. Denk bijvoorbeeld aan een hoeveelheid vee die je moest betalen (afkomstig van ‘tal’) om jouw straf af te kopen. Je kon zelfs je hele huis en huishouden verliezen. Of je vrouw: zo is eveneens de bruidsschat ontstaan om de ‘verkoop’ van de dochter te regelen. In sommige landen gebeurt dit nog steeds, bijvoorbeeld als ruil voor kamelen.
Fase C: Systeem 1 gaat heersen over Systeem A
Deze ruilhandel (of koehandel) kan steeds dominanter worden, waardoor sommigen steeds meer voorrechten ‘krijgen’, omdat anderen hun vrijheden verliezen. Dit kan echter ook gebeuren op gemeenschapsniveau. Als de ene gemeenschap bijvoorbeeld een slechte oogst heeft gehad en om hulp vraagt, kan zo’n gemeenschap ‘in het krijt’ komen te staan of iets ‘op de kerfstok’ hebben, waarmee werd bijgehouden wie wat toekomt, maar nog sterker: wie waar recht op heeft als ‘leen’.
Zo ontstonden ‘leenheren’, die hun voorrechten van eigendom via een steeds meer centrale administratie gingen vastleggen en vastzetten voor de toekomst. Daarbij zetten zij handhavers (zoals politie en politiek, allebei van de Griekse stadstaat of ‘polis’) in om deze voorrechten af te dwingen en te beschermen.
De oorsprong van administratie én van geld is dus geen ruilhandel, zoals ons in de economielessen wordt geleerd, maar vergelding. En dit kan op alle schaalniveaus plaatsvinden, waarbij sommige gemeenschappen hun vrijheden kunnen verliezen door domme pech, domme handelingen (denk aan gokken) of omdat zij worden veroverd door een ander volk.
Daarmee wordt langzamerhand de ‘administratie’ van al die verworven voorrechten en verloren vrijheden een enorme zaak, waarbij een parallel systeem ontstaat bóven de bestaande gemeenschappen, die alsnog moeten ‘bloeden’ (de oorsprong was tenslotte de bloedwraak) voor de daden van bepaalde gemeenschapsleden of andere gemeenschappen.
Zo ontstaat er een ‘interne markt’ binnen de gemeenschap en een ‘internationale markt’ die met elkaar in onderlinge strijd, competitie en concurrentie komen. Er kan zelfs een handel ontstaan in de waardepapieren zélf. Die als ‘borg’ (van ‘burcht’) kunnen dienen om weer meer ‘waarde’ (van ‘waren’) te kunnen ‘creëren’, wat in feite geleende waarde uit de toekomst is. En dus roofbouw op die toekomst.
Dit wordt verder versterkt als de grotere vergaderingen en rechtszaken enkel nog in dit ‘maatschappelijk verkeer’ plaatsvinden en de gemeenschappen zelf, waaronder vrouwen en kinderen, worden uitgesloten van deelname en dus geen recht van spreken hebben. Het is een ‘mannenzaak’ geworden, omdat het gaat over de buitenwerelden.
Deze maatschappij gaat steeds meer een eigen leven leiden, zonder nog ruggespraak te houden met de oorspronkelijke gemeenschap of daar verantwoording over af te leggen. De gemeenschappelijke Dingen veranderen in maatschappelijke Zaken. Zaken zijn zaken, business is business.
Fase D: Opschaling = Superpositie en bureaucratie
Als dit alles gebeurt op het niveau van de stadstaten, dan kan de schade nog beperkt blijven, omdat lokale heersers die er een potje van maken of als tirannen heersen, (enigszins) eenvoudig kunnen worden afgezet om de vrijheden te herwinnen.
Het wordt echter lastiger als hier nóg een laag bovenop komt. Dan krijg je een administratie over een administratie, een ‘interpolis’ (tussen stadstaten), die op een gegeven moment wordt vastgezet in een natiestaat. Precies dit is het proces dat alle stadstaatjes van Europa hebben meegemaakt, waarbij de ene ‘leen’ van de ene ‘leenheer’ werd samengevoegd met de andere ‘leen’ van de andere ‘leenheer’, waarbij de ‘leenheren’ vanachter de tekentafel de administraties ‘harmoniseerden’ en het lot bepaalden van al hun ‘onderdanen’ of ‘vazallen’. En de ‘regels’ voorschreven door nieuwe ‘schrijfregels’ toe te voegen aan de administratie.
Zo’n administrateur neemt dan een vaste plaats in achter een ‘bureau’. En zo is de basis gelegd voor de eerste bureaucratieën. ‘Bureau’ komt oorspronkelijk uit het Frankische Rijk (Karel de Grote e.d.), waar men de schrijftafels van kanselarijen bespande met een donkerroodbruine stof, genaamd ‘Bura’ of ‘Burrus’, Grieks purrhós. Vandaar ging de naam over op het gestoffeerde meubelstuk zelf, de schrijftafel en de tafel om geld te tellen. Vervolgens ging het woord duiden op het vertrek en zelfs het hele gebouw waarin de schrijftafel stond: het bureau als ‘kantoor’.
Oorspronkelijk komt het woord ‘bank’ dan ook van het ‘bankje’: de tafel van de geldwisselaar, die op de Middeleeuwse markten opgesteld was. Bovendien kennen we het woord ‘bank’ als ‘verhoogde heuvel’, zoals een zandbank. Deze centraal-administratieve plekken waren dan ook vaak op verhoogde gronden, net zoals de rijke Heren die er gebruik van maakten.
Deze administrateurs of ministers worden de feitelijke heersers, omdat zij de centrale administratie bijhouden, de regels bepalen én de rechtspraak daarover steeds meer centraliseren. Dit is echter geen natuurlijk proces dat ‘vanzelf ontstaat’, maar bewust wordt gedaan door degenen die voldoende voorrechten (regalen en regalia) hebben ‘verdiend’ om de administratie, rechtspraak en regering te centraliseren om zo hun eigen belangen (‘regalen’ of vorstelijke voorrechten, de wortel van ‘regels’) te beschermen, behouden (conserveren) en liefst uit te breiden.
Deze Heren vormen dan met elkaar ‘genootschappen’, zoals ‘sociëteiten’, ‘handelsmaatschappijen’ en ‘broederschappen’ om onderling als ‘medestanders’ (‘van dezelfde stand’) hun ‘zaakjes’ te ‘regelen’. Wat we tegenwoordig ‘maatschappij’ of ‘society’ noemen is dus eigenlijk een ‘maatschap’ van ‘maten’ en een ‘sociëteit’ van ‘leden’ (met een ‘lid’, dit is géén grap).
Zij bevinden zich dan op een ‘superpositie’ bóven de anderen, ‘super’ betekent ‘over’ of ‘opper’ en wordt op veel plekken gebruikt. Zelfs in de biologie en kwantumfysica, waarbij de ‘superpositie’ een categorie of taxonomie aanduidt. Een hiërarchische boom van ‘hogere’ en ‘lagere’ categorieën, waarbij de hogere categorieën ook steeds abstracter worden en losgezongen raken van de werkelijkheid.
Een kat kan je bijvoorbeeld nog aanwijzen, maar als je ‘hoger’ komt, kan dit eigenlijk niet meer. Het draait dan steeds minder om wat de soorten ‘gemeen’ hebben, maar de categorieën verwijzen nergens meer naar behalve naar zichzelf. Dit worden ook gesloten of ‘zelfreferentiële systemen’ genoemd. De bijbel en de theologie is hiervan ook een mooi voorbeeld. De theologen verwijzen steeds weer naar dezelfde bron, het Testament (what’s in a name), wat eveneens het gezag zélf vormt van de hele theologie. Er is geen verwijzing naar de echte wereld, het is compleet ‘abstract’.
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Carnivora (Roofdieren)
Familie: Felidae (Katachtigen)
Geslacht: Felis
Soort: Felis silvestris (Wilde kat)
PS. Is de overeenkomst zichtbaar met een ‘stamboom’ of ‘genos’?
Vele diersoorten, zoals een vogelbekdier, zijn dan ook niet in deze categorieën of superposities te proppen, omdat ze niet in het ‘hokje’ passen. Zo wordt alles en iedereen ingedeeld in een onderling uitsluitende hiërarchie die wordt bepaald door de buitengrenzen van de ‘container’ in plaats van dat wat je met elkaar gemeen hebt.
Zo kan je bijvoorbeeld tot meerdere leef- werk of leergemeenschappen behoren, maar slechts tot één maatschappij! Je kan uitsluitend in één gemeente ingeschreven staan als ‘burger’ en uitsluitend in één provincie, in één land/natie en inmiddels in één continent (bijv. EU), waar de burgers nog altijd ‘onderdanen’ zijn van de ‘soeverein’, die dezelfde woordwortel kent als ‘super’. De soeverein ís de overheid en de burgers zijn de onderdanen.
Fase E: De Monopoly Maatschappij
Waarom moet dit ‘Systeem 1’, de maatschappij, zo werken? Omdat anders niet eenduidig en eenvormig de administratie kan worden gevoerd en er geen misverstanden ontstaan over wie wat is verschuldigd. Maar wellicht nóg belangrijker: anders kan je er geen ‘hekje’ omheen plaatsen en dus ook geen ‘business model’ creëren. Want wat is de essentie van ieder business model? Dat is het monopoliseren van bepaalde ‘resources’ (menselijke of natuurlijke hulpbronnen) of ‘assets’ (vermogens) óf de toegang daartoe, zodat je tegen een ‘tegenprestatie’ (een vergelding of vergoeding) het poortje van het hekje kan openen.
Zo wordt duidelijk dat de basis van dit oorspronkelijke systeem van ‘vergelding’ nooit is veranderd. En dat het monopoliseren van toegang tot bronnen of vermogens eveneens de basis vormt. Daarom is gekozen voor de term ‘Monocratie’ om dit Systeem A mee te benoemen, omdat het precies de neiging tot monopolisering typeert van de maatschappij.
Daarom zijn we altijd één stap verwijderd van tirannie en is een heel circus opgezet om ons daarvan te weerhouden, bijvoorbeeld door de scheiding van machten (trias politica) en verkiezingen van onze wetgevers. Zo zijn we ook altijd één stap verwijderd van totale slavernij, omdat we enkel de ondergrens hebben verhoogd tot de moderne slavernij die ‘loonarbeid’ in wezen is. Omdat mensen niet terug kunnen vallen op kapitaal, zijn zij genoodzaakt hun arbeid (en dus zichzelf) te moeten verkopen om rond te kunnen komen. Dat is slechts één stap verwijderd van slavernij en kan enkel ‘vrijheid’ worden genoemd in relatie tot slavernij. In absolute zin zijn we allesbehalve vrrij.
Fase F: Liberalisering en democratisering
Als we dan teruggaan naar het Monopolyspel, dan wordt ook ineens de ‘gameplay’ duidelijk. Het monopolie is het doel van het spel, maar als het monopolie is behaald, is het spel ook voorbij! Dat is in de geschiedenis al vaker gebeurd, waarmee delen van het systeem of zelfs het hele systeem ineenstort. Voor degenen die een kans maken op het Monopolie is dit echter niet wenselijk, want daarmee storten hun handeltje en daarmee hun voorrechten (regalen) ineen.
De revoluties zijn vaak dit soort momenten geweest, waarbij de spelers die het onderspit delfden het beu waren. Maar om heel eerlijk te zijn, waren het meestal de mededingers die op achterstand stonden op de ‘leaderboard’ die probeerden het spel in hun voordeel te laten uitpakken. Denk aan de niet-eerstgeboren zonen die geen aanspraak konden maken op de erfenis (alles gaat naar de eerste) en die de spelregels wilden aanpassen om vanaf nu ‘democratisch’ de Heren te verkiezen.
Met de handelsmaatschappijen zoals de VOC of de West India Company is ook zoiets gebeurd. Dat begon met een ‘charter’ vanuit de Soevereine macht (in Nederland was dit de Staten-Generaal zelf). Vervolgens werden er aandelen uitgegeven aan een beperkt aantal aandeelhouders (besloten vennootschap) en dit werd steeds verder ‘geliberaliseerd’ tot een naamloze vennootschap (NV), waarbij de handel in aandelen werd opengegooid en iedere kapitaalkrachtige burger kon ‘participeren’ in deze ‘maatschappij’.
Voel je in de taal waar dit naartoe gaat? Juist, de maatschappij is een maatschap, net zoals een ‘society’ een ‘sociëteit’ is, zoals eerder benoemd. Het is een clubje heren dat het voor het zeggen heeft (old boys network). Door liberalisering en revolutie wordt de zeggenschap steeds verder verbreed, totdat iedereen de mogelijkheid krijgt om in het Monopoly spel ‘mee te spelen’. En de grote grap is dat dit enkel koren op de molen is van de oorspronkelijke spelers, omdat de koek steeds groter wordt en de waarde van hun oorspronkelijke aandelen door het dak gaat.
Daarom leidt democratisering tot een enorme ‘boost’ voor het maatschappelijk verkeer. Maar het is ook het zaadje voor de val. Want die revoluties zorgen ervoor dat het piramidespel zichtbaar wordt, ondanks alle mooie verhaaltjes dat het ‘maatschappelijk belang’ wordt gediend, waarbij er niet bij wordt verteld dat dit iets anders is dan het ‘gemeenschappelijk belang’. Het belang van de handelsmaatschappij (zoals de BV Nederland) wordt dus gediend! En ja, daar kunnen we in theorie allemaal een graantje van meepikken, maar in de praktijk is het een ‘trickle down economics’, waarbij het overgrote deel van de winst toch echt aan de strijkstok van de ‘hoogsten’ blijft hangen.
Daarom komt er weer nieuwe opstand, om te strijden tegen de ‘ongelijkheid’ en het ‘kapitalisme’, waarbij deze ‘communisten’ en ‘socialisten’ zich gaan verzetten tegen de macht van het kapitaal, om vervolgens een staatsgreep te plegen, waarmee zij het nieuwe bestuur van de maatschap gaan vormen. Zo’n maatschappij wordt dan wel gedemocratiseerd (en bij de communisten ironisch genoeg juist gecentraliseerd!), maar de kern van het systeem is onveranderd. Het is en blijft een handelsmaatschappij! Het is nog altijd geen échte democratie. Want de regels van het spel zijn nog altijd de baas en niet de bevolking zélf.
Fase G: Verval en reboot i.p.v. reset
Zo hebben de Heren onderlinge afspraken gemaakt in hun Maatschap(pij) om het spel zó te spelen, vastgelegd in spelregels (de Rules-Based Orde), om het spel oneindig door te kunnen blijven spelen. Of op z’n minst zo lang mogelijk, zodat een nieuwe ‘reset’ kan worden voorkomen. En als die reset tóch onvermijdelijk blijkt te zijn, dat er scenario’s op de plank liggen om het spel een ‘reboot’ (herstart) te geven.
Door de geschiedenis nauwkeurig te bestuderen, wordt duidelijk dat dit vaker is gebeurd. Denk aan de reformatie, waarbij het katholieke kerksysteem feitelijk ‘failliet’ was en een doorstart kreeg onder het protestantisme, dat een stuk toleranter was rondom kapitaal en leningen. De periode hierna werd letterlijk de ‘renaissance’ genoemd: de wederopstanding.
Of denk aan de Franse revoluties. Vlak daarna kwam Napoleon uit het niets om de boel als dictator over te nemen, waarmee hij de weg heeft geplaveid voor het Congres van Wenen van 1814/1815 om het Ancien Regime (het antieke regime) te herstellen met de standen en rangen. Zo zijn wij ook aan ons huidige koningshuis gekomen, dat onderhands is onderhandeld door de hoogste heren achter de tekentafel, die een ruilhandel deden op basis van het oude feodale stelsel en de leenrechten.
Dit is ongeveer het noodplan van de heersers:
- De bestaande onrust verdraaien richting een eigen narratief: If you don’t like what is being said, change the conversation. Dit gebeurt door allerlei ‘thought leaders’ naar voren te schuiven met allerlei geschriften die de publieke opinie moeten verdraaien richting een centralistisch verhaal en het verheerlijken van de orde en haar meesters.
- Werkt dit onvoldoende? Kapsel de revolutie in door een dictator aan te stellen als ‘interim manager’ die de macht grijpt via een staatsgreep en de absolute macht verovert over politie en leger om de opstanden neer te slaan en het volk te onderdrukken met voortdurende angst. Een dictator wordt namelijk aangesteld en een tiran niet. Het feit dat we Napoleon, Hitler of Stalin dictators en geen tirannen noemen, zegt hierbij genoeg. Het grote risico hiervan is dat de dictator alsnog een tiran wordt, omdat deze de tijdelijke absolute macht wil omzetten in een permanente. Als dit goed werkt, kan de dictator de macht weer vreedzaam overdragen aan het Ancien Regime, zoals is gebeurd met Franco en het Huis Bourbon in Spanje.
- Werkt dit onvoldoende? Laat de dictator een oorlog starten, zodat alle aandacht en (levens)energie naar dat ene punt wordt gezogen en de aandacht wordt afgeleid van de werkelijke ‘issues’. Bovendien worden veel van de jonge, sterke mannen hiermee gedood, zodat zij in het thuisland geen opstanden meer kunnen veroorzaken.
- Werkt dit onvoldoende? Breid de oorlogen uit of laat deze voortduren totdat er geen opstand meer mogelijk is. Bereid ondertussen een nieuwe versie van hetzelfde spel voor, met nieuwe buitengrenzen en spelregels, liefst aangevuld met de nieuwste technologie. En bereid een Congres of vorstenvergadering voor, waar deze nieuwe afspraken worden beklonken.
Het congres van Wenen bleek niet voldoende te zijn om de gemoederen tot bedaren te brengen. Het kon dus niet lang uitblijven voor er nieuwe revoluties ontstonden. De arbeidersrevoluties van 1848 waren een duidelijk voorbeeld van een enorme groep ‘Monopoly spelers’ die het beu waren om voor hun heren te werken en steeds alles af te dragen en niks over te houden. Het extractieve model werd duidelijk zichtbaar gemaakt in het Marxisme (wat echter ook weer de kiem voor centralisatie in zich had).
Zo werd het model van België, dat zich eerder had afgesplitst van Nederland en tot een nieuw soort grondwet (constitutionele monarchie) was gekomen, ook toegepast op vele andere landen. Vooral omdat de monarchen zelf de bui al zagen hangen: hetzelfde lot als hun verre familielid Lodewijk XVI: de kop eraf! Zo zijn er concessies gedaan om de macht te beperken, onder andere via de scheiding der machten (trias politica), de afschaffing van het lijfeigenschap (de slavernij) of het instellen van een minimumloon, zodat de scherpste randjes eraf worden gehaald en het spel door kan gaan.
Waartoe dit heeft geleid is vooral dat Systeem 1 minder oneerlijk is geworden. Maar nét genoeg zodat het volk dit accepteert, maar dat de Heren toch hun voorrechten konden behouden. Zo is ook de verzorgingsstaat opgezet, om ervoor te zorgen dat de mensen niet in opstand komen en altijd nét genoeg krijgen om goed rond te komen. Daarnaast werd de pensioenpot, die geen eigendom is van de mensen zelf, maar van ‘de maatschappij’, gebruikt als onderpand (‘borg’ van ‘burcht’) om nieuwe leningen op te kunnen afsluiten.
De revoluties hebben de heersers juist de tools gegeven om ‘hun maatschappij’ duurzamer te kunnen vormgeven en het spel voort te kunnen zetten. Het zijn juist de revolutionaire anarchisten geweest die de zwakke plekken hebben laten zien, zodat de anti-revolutionairen het systeem verder konden versterken. Het zijn juist deze tegenkrachten die het systeem sterker maken. Dat is de grote, ironische paradox. Beide partijen zijn afhankelijk van dit spel voor hun voortbestaan en ‘eigenheid’, die zij aan elkaar ontlenen. Anarchisten (letterlijk ‘geen heerser’) kunnen niet bestaan zonder machthebbers en machthebbers niet zonder anarchisten.
In het spel Monopoly is dit niet anders. Zolang je blijft meespelen of je over het ‘onrecht’ gaat beklagen is dit enkel koren op de molen van het systeem. Door het minimale democratische proces wordt deze tegenmacht gekanaliseerd ‘ingesloten’ (inclusie) in het bestaande systeem. Zo wordt langzaam maar zeker alles en iedereen ‘geïncorporeerd’ (ingelijfd) en wordt het gemeenschappelijke Systeem A geüsurpeerd (leeggezogen). We zijn ons niet eens meer bewust van het bestáán van het gemeenschappelijke, omdat alle aandacht en energie gaat naar het maatschappelijke Monopolyspel.
Zo worden steeds nieuwe speculatieve handeltjes opgezet bovenop de bestaande gemeenschap. Waarbij fictie op fictie wordt gestapeld. In de privésfeer vinden dit soort praktijken plaats:
- ‘Natuurlijke Personen’ (denk: burgerservicenummer) mogen Rechtspersonen (kunstmatige personen) bezitten die op hun beurt weer rechtspersonen mogen bezitten. Een oneindig spel van BV-structuren dat internationaal tot enorme ontduiking van belastingen leidt via belastingparadijzen.
- ‘Onroerend’ (vastgoed) én veel ‘roerend’ goed een ideaal ‘beleggingsobject’. Denk aan een rijke familie die veel kunst in bezit heeft, maar dit is weinig waard als het thuis hangt. Als erin wordt gehandeld ontstaat er een markt en wordt het geld waard én kan je ermee speculeren. Daarom zijn de huizenprijzen ook zo gestegen, wat niets met ‘vraag en aanbod’ te maken heeft, maar door de enorme hoeveelheid geld die door nieuwe hypotheken en andere leningen wordt geschapen, waarmee dat geld weer opnieuw belegd moet worden voor ‘return on investment’. En waar gaat dat geld dan weer heen? Juist, het wordt wéér in vastgoed belegd.
- Maar het wordt pas écht veel waard als je met andere rijke families een kerk of museum opricht waarin de werken worden tentoongesteld met een bordje erbij “uit de privé collectie van [familienaam]’, zodat er veel bezoekers komen, het werk beroemd wordt, het in waarde stijgt en je met de eigendomsakte naar de bank kan om op basis daarvan geld te lenen! Daarmee koop je nieuwe roerende of onroerende goederen, waarmee je het trucje herhaalt en je kan ‘rentenieren’. Deze strategie heet ‘Buy, Borrow, Die’.
- Vervolgens kan al dit ‘vermogen’ (‘wat je vermag’) weer in handige constructies worden gestopt en verstopt om het uit het maatschappelijk verkeer te houden, bijvoorbeeld via private banking, familiefondsen en in de Angelsaksische landen met ‘common law’ kan dit zelfs via een ‘trust’3, waarbij je het vermogen uit het maatschappelijk verkeer haalt, zodat het niet meer belast kán worden. Maar de echte waarde zit niet zozeer in het geld, maar in de ‘waardepapieren’ die het eigendom aantonen, waarmee voorrechten worden verkregen, welke door de staat worden uitgegeven of beschermd.
Op het niveau van staten en de wereld gebeurt hetzelfde:
- China kan het ‘social credit systeem’ gebruiken als onderpand voor nieuwe leningen. Het is letterlijk ‘sociaal krediet’, waarbij de scores kunnen worden gekwantificeerd om te bepalen hoeveel onderpand er is en wat zoiets waard is.
- CO2 en Stikstof worden als ‘vrije stofjes’ steeds meer kwantitatief gemaakt en in de ‘CO2 rechten’ en ‘stikstofrechten’ vindt een levendige handel plaats, die dus maakt dat stofjes die niemand kán bezitten ineens tóch geld waard zijn! Dat is je reinste magie en alchemie.
- Als je geld leent bij een bank, schept de bank dit geld ‘uit het niets’. De bank tikt dit bedrag in de computer en dat kan hij doen omdat jij de belofte doet het uit jouw eigen ‘krediet’ terug te betalen!
- Dit geld wordt namelijk uit het niets geschapen (magie!) en daar bovenop ook nog de rente, die echter niet wordt geschapen als bedrag, maar als percentage. Dit betekent dat er uiteindelijk méér geld terug betaald moet worden dan er geschapen is. En waar moet dit vandaan komen? Uit de bestaande geldvoorraad! Dit verklaart voor een groot deel de ‘rat-race’, zeker in combinatie met de zucht van kapitaal voor een ‘return on investment’: het moet altijd méér opleveren dan het heeft gekost.
- Ditzelfde gebeurt van publieke banken (denk ING) naar Nationale centrale banken (denk DNB), die daar ook weer krediet krijgen, omdat ze een bepaald onderpand hebben op basis van degenen die bij hún weer krediet hebben uitstaan. En zo gaat dit spelletje door naar de Europese Centrale bank en de Wereldbank of het IMF.
- En tot slot krijg je nog allerlei speculatie op dat onderpand. De kredietcrisis van 2008 was hiervan het directe gevolg, omdat partijen het bestaande onderpand opnieuw als krediet gingen gebruiken en andere partijen dit krediet weer gingen ‘herverpakken’, wat vervolgens óók weer ‘waarde’ had, waarmee hier óók weer werd gespeculeerd.
Dit concept van speculatie op iets ‘echts’ is veel over geschreven. Het wordt wel de ‘systeemwereld’ genoemd, maar ook een ‘hyperreality’4
Zo worden steeds weer nieuwe zeepbellen geschapen die onvermijdelijk moeten klappen en krijg je een systeem van ‘boom & bust’. Dit is geen natuurwet, maar een gevolg van het ontwerp van dit systeem, dat altijd streeft naar eenwording en het Monopolie, omdat dat het doel van het spel is!
De rol van geld om levenskracht te bundelen
Daarbij is het centraal geleide geldsysteem in combinatie met een centrale administratie een essentieel onderdeel van de ‘succesformule’. Centrale banken zijn de spil in het monopoliseren van de macht. Dit is begonnen met de Nederlandse Bank, waarna dit ‘model’ door Willem III naar Engeland werd geëxporteerd tijdens zijn ‘Glorious Revolution’ (die tot op de dag van vandaag wordt gevierd) en nota bene Isaac Newton als centrale bankier werd aangesteld. Wellicht juist omdat hij als ‘alchemist’ wist hoe je een waardeloos iets tot ‘goud’ kon maken?
‘Money is Power’ én ‘Time is money’ zijn bekende en veelzeggende uitspraken. ‘Power’ kan op twee manieren worden gelezen. Als in ‘macht’, maar ook ‘energie’. Wie geld bezit kan andermans levenskracht (tijd!) kopen voor eigen doeleinden. Geld kan daarbij op twee manieren gebruikt worden: als direct ruilmiddel én als waardepapier. Dit laatste is een latere toevoeging geworden, waarmee waarde kan worden opgepot. En wie dus héél veel geld bezit, heeft in basis oneindige macht over waar de energie en dus de aandacht naartoe gaat. Precies daarom moet dit zo centraal mogelijk worden geleid via een monopolie, zo denken de Monocraten.
Hoe dit werkt komt mooi naar voren in de kolonisatie van Afrika, waar de Fransen twee systemen tegelijk invoerden: een munt én belasting. De belasting moest namelijk betaald worden in de munteenheid, waarmee gelijk de belangrijkste waarde ervan is gegarandeerd via gedwongen winkelnering. Bovendien kwamen er gelijk veelal Chinese winkeliers mee om ervoor te zorgen dat er met de munt spullen gekocht konden worden. Zo ontstaat een gesloten, zelfreferentieel systeem en een afhankelijkheid van de centrale geldruif.
Zo wordt de maatschappij, en dus ook de gemeenschap, steeds meer afhankelijk van geld, het rondpompen ervan door budgetten te ontsluiten om het allerkleinste nog gedaan te krijgen. Als we even heel eerlijk zijn, moeten we het geldsysteem als een piramidespel gaan zien, waarbij de bedoeling van geld niet is ‘ruil‘ is, maar ‘schuld‘ (I owe you), net zoals het Monopoly spel ons toont. Al het nieuw gecreëerde geld komt dan ook als schuld de wereld in, waarbij we denken dat het krediet van de bank komt, maar in werkelijkheid komt het van degene die het leent op zijn/haar eigen krediet en een belofte doet het terug te betalen. Daarmee is de hoeveelheid schuld altijd groter dan de hoeveelheid geld, waarmee de basis van een piramidesysteem wordt gelegd dat nóóit opgelost kán worden.
Het geldsysteem is een piramidespel dat niet is gebaseerd op ruil, maar op schuld
Dit idee zit héél diep en wordt ons hele leven aangepraat: dat wij zondige, schuldige wezens zijn. Wij zijn niet ‘van onszelf’, maar onderdeel van iets ‘hogers’ dat óns bezit en wij mogen tijdelijk gebruik maken van ons stoffelijk lichaam dat dus is ‘geleend’ van de hogere macht die ons dit toestaat en waarvoor wij eindeloos dankbaar moeten zijn. De erfzonde (original sin) bepaalt zo de inrichting van de maatschappij, ook al denken we nog zo seculier (ontkerkelijkt) te zijn.
Dit schuldensysteem of leenstelsel werkt door in álles en is allesbepalend geworden voor onze cultuur. Jean-Jacques Rousseau zei dit heel krachtig5:
Burgers doen afstand van een deel van de winst teneinde deze op zijn gemak te vergroten. Geeft geld en weldra zult ge ketenen dragen. In een werkelijk vrije staat doen de burgers alles met hun handen en niets met geld.
In een notendop is dat het burgerideaal, waarbij iedereen kan meedingen om tot de gegoede burgerij (waar het woord ‘burger’ vandaan komt) te behoren en ánderen jouw eigen werk te laten doen door bediend te worden. Daarbij draait het in de kern om de rechtsorde of maatschappij in je voordeel te laten werken: burgerrechten toe-eigenen en burgerplichten uitbesteden.
Het is een bepaalde levenswijze en leefstijl die je daar brengt: om juist niet meer te hoeven werken voor je geld, dát is het grote ideaal. Om te kunnen ‘rentenieren’, wat letterlijk betekent dat je kan leven van de rente op je geld. Rente en het Engelse ‘rent’ zijn dan ook gelijk: het is het verhuren van je eigen spullen en daar marge op ontvangen als ‘rechtmatige eigenaar’.
Door dit ‘goede voorbeeld’ van de burgerij en onze ‘opwaardering’ van slaven naar ‘medeburgers’, zijn we allemaal mededingers geworden om de top van de piramide. Of zo wordt het in ieder geval ons voorgehouden met idealen als de ‘American Dream’, terwijl we allemaal weten dat het niet ‘hard werken’ is wat je aan de top brengt. Zo zijn we met z’n allen gevangen in dit ‘maatschappelijk verdrag’ of ‘sociaal contract’, waarin we impliciet hebben afgesproken mét elkaar dit Monopolyspel te spelen, of we er nu beter van worden of niet.
Als je in ‘onze maatschappij’ een eigen handeltje wil beginnen, waarbij je niet om de centrale munt heen kunt, kan je niet anders dan je in te schrijven bij de Kamer van Koophandel. En als je gebruik wil maken van de beperkte aansprakelijkheid via één van de rechtspersonen zul je eveneens je jaarrekeningen moeten opsturen, zodat er altijd een centraal overzicht is van alle handel, zodat er ook centraal belasting kan worden geheven en de economie goed in de gaten kan worden gehouden om de geldvoorraad bij te sturen, door aan de renteknop en daarmee aan de geldvoorraad te draaien, door het aangaan van schuld (lenen van geld) meer of minder aantrekkelijk te maken.
Het Monopolyspel is wederom een mooie metafoor. Zoals letterlijk in de spelregels staat:
De bank kan nooit “failliet gaan” en mag daarom indien nodig geld uitbetalen in de vorm van schuldbekentenissen die gewoon op een papiertje geschreven worden.
Dit beginsel van centrale leiding is begin twintigste eeuw tot een nieuw ‘hoogtepunt’ gekomen met de opkomst van het Corporatisme. Een onbekende term voor velen, maar het welbekende ‘Fascisme’ was één van de uitwassen van deze manier van denken, die wordt gekenmerkt door een centraal geleide planeconomie (één Corpus) en allerlei afdelingen daarvan die specifieke taken uitvoeren en allen onderdeel uitmaken van het ene lichaam.
De ‘representatie’ van dit corporatistische systeem gebeurt niet via directe vertegenwoordiging, maar via indirecte, ideologische belangengroepen, die zogenaamd bepaalde bevolkingsgroepen moeten ‘representeren’ (voorstellen). Dit wordt verkocht als ‘vertegenwoordiging’, maar dat is het niet. Het is slechts de aanname van vertegenwoordiging. Politieke partijen zijn ook niet meer of minder dan ‘voorstellingen’ van bepaalde partijen (partij = part = onderdeel) die worden aangenomen te bestaan om de ene ‘algemene wil’ of het ene ‘maatschappelijk belang’ voor te stellen van de ene Corpus.
De rol van de rechtspraak
De rechtsorde is dan ook geen synoniem voor de ‘samenleving’, maar is een 1) rechtsstaat die 2) rechtspersonen schept en beschermt, die zijn geïncorporeerd (incorporatie = inlijving) in het ene, grotere lichaam van de Staat en die de wil van dit lichaam moeten uitvoeren. Daarbij is de rechtspraak feitelijk de interne klachtenprocedure van de Maatschappij (denk:de BV Nederland of Europa) en doet niets meer of minder dan beoordelen of de maatschappelijke regels op een rechtmatige wijze zijn gevolgd. De oordelen zijn in zoverre rechtvaardig zolang ze rechtmatig zijn, maar dat is geen opzet, slechts toeval.
Dat we door de revoluties de rechtsorde hebben gedemocratiseerd tot een democratische rechtsorde maakt het echter nog geen democratie. Het is een rechtsorde waar de spelers tezamen, via representatie van politieke partijen, de regels voor het spel mogen bepalen. In het Monopolyspel zou dit betekenen dat de spelregels kunnen worden aangescherpt, wat echter niet leidt tot een herziening ervan, maar vooral tot allerlei aanvullende regels die steeds fijnmaziger allerlei zaken en mogelijke conflicten moeten ‘oplossen’.
Qua rechtspraak kan het bovendien ook veel simpeler dan nu. Er wordt beweerd dat de ‘Wet’ regeert, maar in feite regeren de regels. Een verzameling regels maakt echter nog geen wet, want dat woord komt van ‘weten’. In een wet horen enkel de bepalingen te staan die voor iedereen gelijk zijn: algemeen of publiek dus. Alles wat niet voor iedereen gelijk is, bijvoorbeeld dat wat ‘particulier’ of ‘privaat’ is, mág de wet niets van vinden. Dat is aan de mensen zélf om daar een oordeel over te vormen.
Zo was er van oudsher altijd een mooie tandem van wet en ding (volksvergadering). De wet beschreef wat voor iedereen gelijk geldend was. En in de volksvergadering werd al het andere besproken. Als op een gegeven moment bleek dat bepaalde ‘dingen’ steeds op dezelfde manier werden opgelost, kon men bepalen om dat als ‘weten’ te kenmerken en het in de wet op te nemen. Dit heette ‘gewoonterecht’.
Dit soort wetten zijn echter niet of nauwelijks overgeleverd. Alle wetten die zijn bestudeerd in de wetenschap zijn wetten die door heersers zijn opgelegd en zelden door gemeenschappen zelf tot stand zijn gebracht. Terwijl het systeem van lokale rechtbanken nog altijd ‘bottom-up’ is vormgegeven. Dat is zeer tegenstrijdig. Zaken moeten eerst lokaal worden opgelost, voordat deze worden ‘geëscaleerd’ naar boven, naar hogere rechtbanken.
Wanneer houdt Monopoly op?
Wanneer houdt het Monopolyspel pas op? Als genoeg mensen besluiten om niet meer mee te spelen. Om ermee op te houden. Om hun aandacht niet meer aan het maatschappelijke Monopolyspel te schenken, maar om een ánder ‘spel’ te gaan spelen. Als je dat nog een ‘spel’ kan noemen, omdat er niemand wint of verliest. Dat was het idee achter het tweede scenario van The Landlord’s Game, ‘prosperity’, waarbij de lasten niet op de schouders kwamen van degenen die de waarde creëren, maar bij degenen die de waarde usurperen (opsnoepen).
Laat de ‘liberalisaties’ van de afgelopen decennia nu precies het tegenovergestelde hebben gedaan. De liberalisaties van de markten hebben vooral de rijken verder bevoordeeld, waardoor de allerrijksten in de VS feitelijk geen enkele belasting meer betalen. Hetzelfde geldt voor alle belastingparadijzen, waarmee de lasten steeds worden verschoven.
Belasting is echter géén oplossing voor een systeem dat in de basis gewoon niet is ontworpen om duurzaam te zijn, maar om te usurperen en parasiteren op de waardecreatie van anderen. Met nieuwe ‘systeemverbeteringen’ gaan we het structurele gebrek aan gemeenschap niet compenseren, we gaan hooguit de symptomen bestrijden en verlichten. We maken het systeem niet eerlijker, hooguit iets minder oneerlijk.
De revoluties hebben veel bereikt, maar de onderliggende piramidale structuur is nog altijd ongewijzigd. Deze is enkel verder opgeschaald. En de heersers hebben een veel breder palet aan slimme trucs om het volk precies tevreden genoeg te houden, wat ze continu kunnen monitoren via hun ‘sociale media’ en ‘kunstmatige intelligentie(diensten)’.
Want wie bezit uiteindelijk het Monopolie en wint dus dit Maatschappelijk Monopolyspel? Niemand. De Maatschappij zélf is de Monopolist. En daardoor kan het spel blijven voortduren, totdat alle meerwaarde wordt afgeroomd en het spel enkel nog via schulden kunstmatig kan worden voortgezet.
Is er een uitweg?
Er is een enorm eenvoudige uitweg. Maar deze bevindt zich niet binnen het maatschappelijke Systeem 1, maar elders. Het is ook geen ‘parallelle maatschappij’, zoals sommigen bedenken. Ook niet één van ‘soevereinen’. Geen libertarisme of een anarcho-kapitalisme. Niks van dat alles. Het zijn allemaal varianten op hetzelfde systeem: de maatschappij. Precies dit is de grote denkfout. We zijn zo geprogrammeerd om enkel binnen de grenzen van het bestaande systeem denken.
Wat dat extra bijzonder maakt, is dat het oorspronkelijke Systeem A, waar het maatschappelijke Systeem 1 bovenop is gebouwd, nooit is verdwenen. Het is enkel steeds kleiner geworden. Of beter gezegd: de brede basis die de gemeenschappen ooit vormden is steeds smaller geworden. En de maatschappelijke piramidestructuur steeds hoger.
We kunnen dan proberen om de maatschappelijke piramide op te blazen of af te breken, maar dat helpt niets. Want op basis van de resten zal gewoon weer een nieuwe Toren van Babel worden gebouwd. Omdat er ‘tussen de oren’ en ‘in de vingers’ niets is veranderd. De Mono-mentaliteit is nog altijd dezelfde.
Dit vraagt om een perspectiefwisseling, een verschuiving van aandacht van het Maatschappelijke Systeem 1 naar het gemeenschappelijke Systeem A. Naar de lokale werk-, leer- en leefgemeenschappen. Dáár waar het uiteindelijk tóch allemaal gebeurt.
We denken dat we als gemeenschappen afhankelijk zijn van het maatschappelijke, zeker omdat het geld dáár is gemonopoliseerd, maar het is net andersom. Het maatschappelijke Systeem 1 is juist afhankelijk van het gemeenschappelijke Systeem A! Systeem A kan zonder Systeem 1, maar niet andersom. Sterker nog: zonder systeem A zou het helemaal ineenstorten.
In organisaties is het niet anders. We denken dat de werkvloer afhankelijk is van het management, maar het is juist vaak zo dat de werkvloer het werk gedaan krijgt ondanks het management. Wat ze ‘daarboven’ ook bedenken, het zijn juist de mensen op de grond die het allemaal werkend krijgen. Die de vertaalslag weten te maken. Alles wat erboven wordt bedacht is meestal juist enkel afleiding.
Een echt duurzaam systeem zal een oplossing moeten vinden voor het geldprobleem. Zolang er geld bestaat, zal er armoede bestaan, omdat geld in wezen nog altijd is gebaseerd op het idee van ‘vergelding’ en ‘voor wat hoort wat’. Het is voorwaardelijk. Net zoals al het geld dat via regelingen wordt ‘uitgedeeld’ altijd voorwaardelijk is.
De basis van het vergeldingssysteem is dus, in volgorde:
- Bloedvergelding of eerwraak
- Rechtsvergelding in natura (bijv. vee of mensen)
- Rechtsvergelding in pecunia (via geld)
- Wat is het volgende? Is er een alternatief?
Zouden we uit kunnen gaan van vergeving in plaats van vergelding? En kunnen we dan ook gewoon gaan geven en leven in plaats van alles met geld en werk te moeten doen?
- The Landlord’s Game – Wikipedia ↩︎
- Spelregels Monopoly, Nederlandse versie 2001 ↩︎
- Trust (rechtsvorm) – Wikipedia ↩︎
- Hyperreality – Wikipedia ↩︎
- Jean Jacques Rousseau – Het maatschappelijk verdrag ↩︎
